Ik kan me geen leven zonder de koeien voorstellen. Het zijn goede bekenden, allemaal met een eigen karakter en een naam die herinnert aan hun geboortedag.

Zo’n zeventig koeien, kalveren en stieren lopen in de weilanden rond de boerderij van Zef. Alleen als de weide te kwetsbaar is, blijven de dieren in de stal. Een open stal, met een flinke laag stro op de grond, zodat de dieren zacht en warm liggen.

Tegen voedertijd of als het regent gaat de veelkleurige kudde via de koeientrap de stal in. Het Belgische witblauwe ras is gekruist met Blonde d’Aquitaine en Parthenais - een multiculti gezelschap volgens Zef. Alle dieren stammen af van twee moederdieren die werden aangekocht door Zefs vader.

Zef fokt de dieren zelf. Op die manier kan hij bepalen welke eigenschappen hij in zijn kudde wil hebben. Elk kalf wordt op de boerderij geboren, kan tot een maand of acht bij de moeder drinken, leeft een prettig leven in de kudde en gaat aan het eind van het leven naar een lokale slachterij. Voor Zef een natuurlijke cyclus: ‘Dat is inherent aan het boerenleven. Je weet van tevoren waar het om begonnen is.’

De kudde heeft een eigen hiërarchie.
De dieren vertonen natuurlijk gedrag.

Vers kraanwater is er altijd. Maar het regenwater in de poel blijkt de voorkeur van de koeien en kalveren te hebben. Natuurlijk nemen ze er ook een bad om af te koelen.

Moeder en dochter maken het goed! In een aparte ruimte in de stal, temidden van de kudde worden de kalfjes geboren en de eerste dagen verzorgd.

In de stal hangt een automatische borstel waar de dieren hun rug aan kunnen kuisen. Ze verdringen elkaar om aan de beurt te komen; de borstel maakt overuren.